De 10-jarige Sven zat naast zijn vader bij een bomaanslag

In 2000 werd bij Nunspeet een bomaanslag gepleegd op de Groningse drugsbaas Johannes Versfeld. Als door een wonder overleefde hij de verwoestende klap. Ook zijn toen 10-jarige zoontje Sven, die bij hem in de auto zat, kon het navertellen.

De 10-jarige Sven zat naast zijn vader bij een bomaanslag

“We zouden die donderdag naar mijn opa in Werkendam gaan. Mijn vader en ik, gezellig samen. Eigenlijk moest ik als jongetje van 10 naar school, maar ja, mijn vader keek niet zo nauw. Het was een flinke rit en mijn vader reed zoals altijd stevig door. Ongeveer ter hoogte van Nunspeet kwam er een busje naast ons rijden. De bestuurder had een mobieltje in zijn hand en keek nadrukkelijk bij ons naar binnen. Ik hoorde mijn vader nog zeggen: Wat doet die gek nou? En toen gebeurde het…”

Dat ‘jongetje van tien’ heet Sven Versfeld en is inmiddels 28 jaar. Een nuchtere, sympathieke kerel. Hij heeft een goedlopend verhuisbedrijfje en woont met zijn vriendin en zoontje nog altijd in ’t Zandt, het Groningse dorp van waaruit hij in november 2000 met zijn vader Johannes naar Werkendam vertrok. Er is sinds die tijd veel gebeurd. Of eigenlijk daarvóór al. Want Sven komt uit een roemruchte familie. Vader Johannes Versfeld – door zijn uiterlijk ook wel ‘de Viking’ genoemd – is een grote speler in de wereld van drugshandel en coffeeshops en binnen het gezin met acht kinderen viel er altijd wel wat te beleven. Was het niet de zoveelste politie-inval, dan was het wel de aankoop van een mooie nieuwe auto of een bokkensprong van Johan jr., een broer van Sven, die in vaders criminele voetsporen was getreden. “Nee, saai is mijn leven tot nu niet geweest,” zegt Sven met gevoel voor understatement, “maar het had best een onsje minder mogen zijn.”

Rempedaal in scheenbeen

De Groninger doelt hiermee op de aanslag met een autobom, die zijn vader als door een wonder overleefde (hij raakte wel blijvend invalide) en waaraan Sven als door een nog groter wonder nauwelijks een schrammetje overhield. Geestelijk zijn de wonden echter nooit helemaal genezen. “Angsten, woedeaanvallen, waandenkbeelden, ik heb alles gehad. En je blijft rondlopen met de vraag: waarom? En vooral ook wie?”

De datum van de aanslag staat voor altijd in zijn geheugen gegrift: donderdag 23 november 2000. Het is ergens tussen zes en zeven uur in de ochtend als Johannes (45) en zijn 10-jarige zoontje Sven in de rode Mercedes stappen. Ze hebben een lange rit voor de boeg, van ’t Zandt naar Werkendam, dat is ruim 260 kilometer en bijna drie uur rijden. “Ik had er echt zin in,” blikt Sven terug, “ik was gek op mijn opa. Ik herinner me nog veel details van de reis, onze gesprekken, het weer en zelfs de muziek. Mijn vader had van een vakantie in Venezuela een bandje meegenomen met een soort trance-muziek. Dat draaide hij de hele tijd.”

De rit verloopt voorspoedig. Totdat ergens op de A28 tussen Zwolle en Amersfoort een donkere Mercedes Vito in het kielzog van de Mercedes kont rijden, met dezelfde snelheid. Sven: “Dat was op zich al opvallend, maar het werd pas echt verdacht toen de auto naast ons kwam. Mijn vader vroeg zich hardop af wat die gek moest, vooral toen de man met een telefoon in zijn hand naar binnen keek. En toen opeens was er die enorme knal, bizar genoeg juist toen een liedje met de titel Alarma la Bomba voorbijkwam. Binnen een seconde zag ik geen hand meer voor ogen door een wolk van rook en stof. Tot mijn afgrijzen zag ik dat mijn vader geen onderbenen meer had, die waren totaal weggeslagen. Het rempedaal zat ergens in zijn scheenbeen. Er zat voor mijn vader niets anders op dan de auto langzaam uit te laten rollen.”

Na een kilometer of twee stond de auto eindelijk stil. “Ik had behalve een piepend linkeroor en een enkel schrammetje eigenlijk niets. Mijn vader probeerde mij over zich heen te tillen om me de auto uit te helpen, maar dat vond ik eng met al die bloederige verwondingen. Het lukte me uiteindelijk om de deur aan mijn kant open te duwen en naar buiten te rollen. De ambulance was er snel, gevolgd door een wagen van de Explosieven Opruimingsdienst die toevallig net langs kwam rijden.”

Stuk semtex

Wat Sven vooral is bijgebleven is de blik van de man in de Vito. “Hij moet hebben gezien dat er een kind in de auto zat. En dan tóch op het knopje drukken…” Achteraf is vastgesteld dat de bom bestond uit een stuk semtex, een zeer krachtige kneedspringstof, verbonden aan een mobieltje als ontsteker. Door daar vanuit de Vito naartoe te bellen kon de bom tot ontploffing worden gebracht. “Het explosief zat onder de bestuurdersstoel. Mijn vader moest dood, dat is wel duidelijk. Het was geen waarschuwing of zo. Hij had het echter het ‘geluk’ dat er een dag eerder iemand anders in de auto had gereden en de stoel veel verder naar voren stond dan gebruikelijk. Toen mijn vader ’s ochtends instapte, heeft hij stoel meteen naar achteren geschoven. Daardoor ging de bom niet af onder zijn lichaam, maar onder zijn benen.”

Sven vermoedt dat het explosief ’s nachts is geplaatst. “De auto stond bij mijn moeder voor de deur geparkeerd. Zij heeft ’s nachts vreemde geluiden gehoord, waar ze op dat moment eigenlijk niets achter zocht. Maar later hebben we daar wel een verklaring voor gevonden. Mijn skelter stond vaak buiten op de stoep naast mijn vaders auto. Het lijkt erop dat de dader in het donker over de skelter is gestruikeld.”

Bron:panorama.nl

.